Het Feboïsme en het offer
In: Verhaal & Actualiteit
Liever dan over kapitalisme – of consumentisme – spreek ik van Feboïsme. Omdat Feboïsme, het eten van een snack uit een vakje bij de snackbar, je motivatie meer verduidelijkt: a. je verlangt naar iets speciaals, zoals – mijn favoriet – de rundercroquet, b. dat verlangen kan je stillen door in de gleuf naast de vakjes een munt te gooien en uit één der vakjes jouw favoriete snack te halen. Het ultieme Ideaal: de dingen die je wilt moeten ‘bij de hand’ zijn.
Of je nu over een snack praat of over AI, de motivatie is dezelfde. De wereld richt zich in naar mijn verlangen naar in dit geval rundercroquette. En that’s it. AND THAT’S ALL THERE IS!
Met AI gebeurt hetzelfde. Zo begrijp ik uit het majesteitelijk geschreven boek van Karen Hao. Door alle hoogstandjes aan machine-leer-ideeën heen schijnt het licht van het Feboïsme: alles wat gemaakt wordt dient te passen in het vakje dat de klant kiest als hij een vraag heeft, een opdracht wil geven, een verhaal, een voorstelling. Etcetera, etcetera. De ware idealen niet te na gesproken, zoals bij OpenAI aanvankelijk. De druk om die idealen om te zetten in ‘de ware motivatie’, het geld, werd de makers ervan uiteindelijk te groot.
Hetgeen mij leidt tot de gedachte dat, waar dit typisch westerse vooruitgangsdenken, de combinatie van kapitalisme met technologie, door mij tot Feboïsme gedoopt, er een afwezigheid van ‘zelf’ is in het Westen. Omdat het Feboïsme ervan uit gaat dat zelfs op de toppen van ons kunnen, zoals het produceren van een schijnbaar volwaardig denkende machine, alles erom draait een vreemdeling van dienst te zijn. Voor geld, maar dat terzijde. Nergens in het gewetensrijke boek van Hao kom je bij de bedenkers van de perfecte denkmachine de zoektocht naar het zelf tegen.
Als topman van een AI-bedrijf zeg je tegen je klant: betaal me en het door jou gewenste vakje kan je open trekken. Wie persoonlijk aan wie betaalt en voor welk persoonlijk doel staat buiten de transactie. Wat meer is, elke beïnvloeding van de transactie met dat soort toevoegingen maakt haar onbruikbaar. Als de Febo weet zou hebben van mijn weerzin tegen bio-industrie, dan zou de prijs in mijn geval misschien wel lager moeten zijn, of juist veel hoger. Of, sterker nog, we zouden een gesprekje kunnen hebben, Febo en ik, over dierenleed en hoe je daarmee om gaat. Een volstrekt onwenselijke situatie bij wat het Feboïsme wil en, vanuit de hoogste kantoorgebouwen van de stad, eist en luid en duidelijk verkondigt. Bij iedere transactie tussen klant en leverancier dient het zelf de deur gewezen.
Hetgeen mij leidt tot de gedachte dat het Westen niet zozeer het individu vooropstelt, om het zelf een ereplaats te gunnen bij al onze transacties, maar eerder dat het zelf, het individu, daar waar we onze hoogste idealen vormgeven, een noodzakelijk maar verwerpelijk kwaad is dat, ingeklemd tussen regeltjes en wetten, ons vooral niet voor de voeten moet gaan lopen waar het er écht om gaat!
Hetgeen mij tot de gedachte heeft geleid dat de degene die als de grootste denker geldt over wat het zelf is voor het Westen, namelijk Augustinus (en ja, daar kom ik gelijk ook met de allerbeste bron: Augustine of Hippo: A biography door Peter Brown, p. 162, met alle citaten uit de Confessiones) dat deze Augustinus ons niet zozeer geleerd heeft ons hoogst eigen zelf te koesteren en te waarderen, maar dat hij, door het claimen van dat zelf als diepste plaats in ons waar God te vinden is, ons zelf aan het geloof in God heeft uitbesteed.
Met andere woorden, ons diepste zelf is in handen komen te vallen van een in alles dwingende, godsdienstige levensleer die – men leze er Max Weber op na – een kapitalistisch Feboïsme voortgebracht heeft – denk ook aan de dwingend individuele afzwering van de duivel bij de doop – dat tot in de haarvaten van onze hoogste aspiraties – en bankrekeningen – is doorgedrongen.
Het offer en het Feboïsme
Ik maak de laatste tijd vaak mee dat mensen bij ieder gespreksonderwerp de smartphone raadplegen, alsof ze aan het shoppen zijn terwijl we elkaar spreken. De gehaktbal ‘bij de hand hebben’, het Feboïsme dus, daar draait het om. Hoe de rekening daarvoor betaald wordt, geen idee, maar laat dat maar aan de techboys over. En het is waar, de machine geeft heel goede antwoorden, toepasselijke beelden etcetera. Maar ‘het zelf’ staat in zijn hempie. In mijn boek Het offer maak ik duidelijk hoe dat zelf ten offer is gevallen aan de middeleeuwse staatsgodsdienst. Waarbij ‘het eigene’, zoals voorouderverering, natuurverering, lokale cultuur en vertelcultuur is opgeofferd aan het enig ware, het Rijk van God, het in het rijk van Karel de Grote verplicht gestelde geloof.
Als men nu beweert dat het mobieltje schuld draagt aan de verwijdering tussen mensen door het aan machines uitbesteden van gesprekken, dan refereert men zelden aan dat offer, aan wat misschien de oorzaak van dat uitbesteden is. Liever refereert men aan het Feboïsme. Als het sociaal of ethisch onwenselijk mocht zijn om gehaktballen zo aan te bieden dat ze te makkelijk ‘bij de hand’ zijn, dan passen we het aanbod aan of we doen iets aan de verkoopstrategie. Het offer blijft geofferd. Niet erg zolang ‘de markt’ zijn plaats kent in de maatschappij, maar Max Weber heeft overduidelijk gemaakt dat hij die plaats in de late Middeleeuwen is gaan vergeten. Om wat ik noem het Feboïsme daarvoor in de plaats te stellen.
Wie wat wil doen aan de verwijdering tussen mensen moet niet bij het gevolg zijn van wat er is gebeurd, maar bij de oorzaak. Niet de Febo moet worden aangesproken op zijn beleid, maar de natuurverering moet in welke vorm dan ook hersteld worden. En dat vergt schrijvers. Schrijvers, schrijvers, schrijvers. Om, net als Karen Hao heeft gedaan met haar Empire of AI, de ‘Febo’ van de smartphone te doorgronden, begrijpelijk te maken, te vermenselijken. Maar ook tegelijk de volksverteller aan het werk te zetten om van de kennis rond AI iets indrukwekkends, groots te maken dat de harten aanspreekt van een mens, die, al of niet in het bezit van smartphones, tot bewondering wordt aangezet.
