Verhaal en Kunst

 

Johan Huizinga over het spel in zijn cultuurvormende waarde*
Datum: do 06-04-2017 @ 09:43

* Eerder geplaatst op de website Entoen.nu dd. 29-04-2010, getiteld "Johan Huizinga, de beste ontkalker van de canon die er is".
 

 

Gedeelde kennis gedijt het beste in een speels milieu. Samen leren veronderstelt het afbakenen van terrein en een set aan afspraken waar iedereen zich aan houdt, net als bij een spel. Canonvormers zouden zich daar rekeningschap van moeten geven. De bloedige ernst van de christelijke canon-als-wet is nog maar kortelings ontsnapt aan de eeuwigheid der eeuwen. Nu canonvorming opnieuw de kop opsteekt in het Westen, in ons land niet het minst, wordt de visie op de mens als ‘homo ludens’ van betekenis. Johan Huizinga kan, baron van de menselijke speelnatuur bij uitstek, als geen ander toezien op het ludieke element van de kenniseenheid die we, in een quasi sarrig spel met het verleden, Canon van Nederland hebben gedoopt. Voor de daaruit voortvloeiende canons geldt hetzelfde. De hoeveelheid toelaatbare ernst moet voortdurend bron van zorg en aandacht zijn. Anders vervallen we in een oud maar nog steeds...


lees artikel

 ... vitaal patroon, dat zich – zij het in voortdurend nieuwe en onverwachte gedaantes en vermommingen – herhaalt als ‘het Ene en Ultieme en anders hoepel je maar op’. Huizinga is nodig om vastgeroeste deuren, vensters en wat dies meer zij onophoudelijk te oliën en voor iedereen toegankelijk te houden. Kort en goed, de beste rentmeester van een algemene kenniseenheid hebben we zelf in ons land in huis. Maar hoe denkt de beheerder over de hem opgelegde taak?


In zijn beroemde studie Homo ludens bespreekt Huizinga het spelkarakter van de mens in tal van samenlevingsfuncties als een bij uitstek cultuurscheppende eigenschap. Cultuur komt voort uit spel. Daarnaast houdt hij de moderniteit een spiegel voor. Er is iets mis met het spelkarakter van de westerse cultuur. De cultuurscheppende functie blijkt daar – te beginnen met de Middeleeuwen: “Het middeleeuwse leven is vol van spel, dartel, uitgelaten volksspel, … dat zich in louter scherts heeft omgezet”(232) – uit te zijn verdwenen. “De moderne cultuur wordt nauwelijks meer ‘gespeeld’, en waar zij schijnt te spelen, is haar spel vals”, zo krijgen we voorgezet op pagina 266 van de pocketuitgave. Wat op spel lijkt is eerder ‘puerilisme’, kinderachtigheid, zich gedragen naar maatstaven van de puberteitsleeftijd. Maar “Kinderachtigheid en spel nu is niet hetzelfde. … Een kind dat speelt is niet kinderachtig. Kinderachtig wordt het eerst als het hem verveelt, of als het niet meer weet, wat te spelen.” Wat Huizinga om zich heen zag was geen spel maar “Banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon … het ontbreken van gevoel voor humor, het warmlopen op een woord, de verregaande ergdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover niet-groepsgenoten, de mateloze overdrijving in lof en blaam” (264).


Het lijkt een reprimande tegenover het ontbreken van historisch besef in onze tijd: er blijkt niets nieuws aan de tegenwoordig met vertoon geproclameerde ‘verhuftering van de samenleving’. (Behoudens misschien de later in de eeuw exponentieel gegroeide hoeveelheid producten die dat puerilisme op  hun beurt hebben gevoed.) Integendeel, de meeste kenmerken ervan waren vóór WO II al virulent. Leest u even mee: “Veel van deze pueriele trekken vindt men ook in vroegere beschavingstijdperken ruimschoots vertegenwoordigd, doch nooit in de massaliteit en met de brutaliteit, waarmee zij in het openbare leven van heden [anno 1938] zich breed maken” (264).

We staan, bij afwezigheid van een authentieke spelcultuur, voor een probleem. Want, zegt Huizinga, “In spelen drukt de gemeenschap haar interpretatie van het leven en van de wereld uit” (68). “Cultuur komt op in spelvorm. … Het spel is onmisbaar voor het individu, als biologische functie, en het is onmisbaar voor de gemeenschap om de zin, die het inhoudt, om zijn betekenis, zijn uitdrukkingswaarde, om de geestelijke en sociale verbindingen, die het schept, kortom als cultuurfunctie” (23).  De cultuurvormende functie van het spel heeft een aantal hoofdkenmerken: vrijheid, buiten het gewone, dagelijkse leven staand, zonder enig materieel nut of voordeel doen ‘alsof’, de cultuur betekenis gevend in de sfeer van feest of cultus, duidelijk begrensd in tijd en ruimte, altijd herhaalbaar, ordescheppend door de wanorde van het leven in een tijdelijke, beperkte volmaaktheid te plaatsen, daarbij de orde absoluut nemend met soms de grootst mogelijke ernst, waarbij de geringste afwijking het spel bederft. Tenslotte geeft Huizinga als hoofdkenmerk ‘het geheim’, de geheimzinnigheid door vermomming, symbooltaal en afzondering. 


De adolescente geesteshouding, stelt Huizinga, slaagt er echter in in elk domein van het leven de overhand te krijgen, doordat zij niet geremd wordt “door opvoeding, vormen en traditie”. (264). En dat terwijl op dat moment de ‘Beat-Generation’ nog geboren moet worden in de VS en de ‘mondigheid’ van de twaalfjarige comasuiper nog niet van zich deed horen. Kortom, “Om wijding, waardigheid en stijl terug te vinden, zal de cultuur andere banen moeten gaan” (266). Welke? Het zou geen gek idee zijn de canon zoals we die nu kennen en die we hebben ingeluid in het onderwijs de rol van pionier te gunnen bij een hernieuwde zoektocht naar het cultuurscheppende en algemeen vormende spel. De door Huizinga voorgestelde opvoeding daarbij ter hand nemend in een ludieke ‘wijding’ van het bestaan op de meest daartoe aangewezen plek in de samenleving, het basisonderwijs. 

 

Poëtisch rentmeesterschap 

Tot zover lijkt Huizinga’s toezichthouderschap een overzichtelijke baan. Canonspelletjes zijn er al te over op tv, verluchtigd met amusement en pret, leuke doe-het-zelf opdrachten in het onderwijs, het is er allemaal al. Of behoren de laatste tot Huizinga’s categorie van ‘kinderachtigheid’, tot de door hem geschetste “banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie”?  Waarschijnlijk had de geleerde in zijn tijd de beschikbare hoeveelheid pret en vrolijk tijdverdrijf van onze tijd niet voor mogelijk gehouden. Maar dat biedt geen antwoord op zijn als zodanig bloedernstige, vanuit ‘archaïsche’ cultuur beredeneerde vraag, waar het spelkarakter is gebleven van zaken zoals wetgeving, oorlogs- en bedrijfsvoering, techniek en wetenschap. Bij de ‘verernstiging van de beschaving als geheel’, schrijft Huizinga, waarbij “wet en krijg, bedrijf, techniek en kunde hun contact met het spel schijnen te verliezen”, blijft alleen “als een bolwerk van bloeiend en edel spel de dichtkunst over” (175). De dichter dus, als redder van het ludieke in de mens?


In zijn laatste hoofdstuk, over het spelelement in onze tijd, verwijt Huizinga de kunst in het algemeen haar vitale functie voor het gemeenschapsleven te hebben opgegeven, door “verschuiving van het sociale naar het individuele”. Zij heeft zichzelf geïsoleerd tot “een zaak van de enkele”, en door “de hemelhoge verheffing van de esthetische bezieling door de romantiek, een voortdurende behoefte aan het telkens nieuwe en ongehoorde” (258-260), is haar spelelement verloren gegaan. Retorisch klinkt dan de vraag die hij in een eerder hoofdstuk bij de huidige dichtkunst stelt, “of de omringende cultuur haar positie in genoegzame mate kan waarderen en erkent, om de bedding te vormen, waarin hun kunst de vitale functie kan uitoefenen, die de reden is van haar bestaan” (176). Die vitaler functie die de dichtkunst nog bekleedt in archaïsche (= heidense?) culturen, omschrijft hij als: “Zij zet de cultus om in het woord, zij beslist sociale verhoudingen, zij wordt het voertuig van wijsheid, wet en zede” (174). “Iedere oude dichtkunst is al tezamen en tegelijkertijd cultus, feestvermaak, gezelschapsspel, kunstvaardigheid, proefstuk- of raadselopgave, wijze lering, overreding, betovering, waarzegging, profetie, wedkamp” (157).


Dat in ere te herstellen zou de schrijver – en ondergetekende niet minder – toejuichen, zo maken we uit zijn schrijven op. Wat zijn eigen vakgebied betreft deed hij voorstellen in deze richting. Zoals in het essay Over vormverandering der geschiedenis, uit 1941, drie jaar na zijn Homo ludens. Geschiedenis moet boeiend zijn, zo stelt hij daar, zij dient zich niet in hoofden van wetenschappers terug te trekken, maar een algemeen vormende functie te vervullen en als zodanig onthoudbaar te zijn, “als duurzaam beeld in het geheugen te worden opgenomen.” Die functie kan zij onderhouden door haar in de vorm te gieten van de dramatisch-epische vertelling, ofwel “den historischen vorm”. “Een geschiedenis, die zich niet meer laat verdichten tot tragedie, heeft haar vorm verloren.” “Het is voor de historie niet genoeg, wanneer de specialist haar verstaat en geniet. Zij verkrijgt eerst dan haar volle functie van bevruchting eener beschaving, wanneer een algemeen toegankelijke voorstelling ervan als een geestelijke schat voor allen in een cultuur bezinkt.” Die rol vervult de geschiedenis al sinds een eeuw niet meer. “De eens zo bloeiende boom waaraan de vruchten der historie rijpten schijnt gedoemd om te verdorren. … Ons onuitroeibaar historisch instinct schijnt zich in toenemende mate te verplaatsen naar de peripherie van Clio’s erf.” Tenslotte vraagt Huizinga zich af, terwijl de verschrikkingen van Auschwitz, die alle zin tot poëzie zouden vermorzelen, nog te gebeuren stonden: “Of zal een toekomstig geslacht in deze twintigste eeuw, die tot kort voor haar midden behalve haar technisch-wetenschappelijke winsten nog zoo weinig wezenlijks heeft voortgebracht, den historischen vorm terugvinden? Wij weten het niet.” Nemen wij kortom de grootste historicus die ons land gekend heeft ernstig, dan kunnen we niet om de suggestie heen de Canon van Nederland, nu die er eenmaal is en klaar ligt voor gebruik, een dramatisch-dichterlijke vorm te geven.

 

Hoe Huizinga halt hield bij het conflictmodel van Augustinus 

Om mijn promotieonderzoek van vijf jaar geleden gestand te doen wil ik tenslotte enkele gebeurtenissen die zich afspelen in de tijdspanne die Huizinga ons voorzet in zijn boek aandacht schenken, waarbij spel in het algemeen en dichtkunst in het bijzonder in een taboesfeer werden geplaatst, waar het gaat om de dingen die er in het leven toe deden. (Zoals het onderwijs. Nergens heeft de scheiding tussen spel en ernst zich ingrijpender gemanifesteerd dan in de onderwijscultuur, waar hoogstaande literatuur, die er de basis vormde, zo verdacht gemaakt is dat terugkeer van de Republiek der Letteren uit de marges naar het centrum net zo moeizaam gaat als de gelijkberechtiging van moslima’s.) Het ging er hier maar om of men een christelijke of een heidense visie volgde. Volgens de christelijke visie, uiteengezet in het eerste hoofdstuk van Augustinus’ De doctrina christiana (I.iv, 8-9), is genieten van wereldse zaken ongeoorloofd, behalve wanneer zij in dienst staan van de hemelse bestemming van de mens. Dit in navolging van Paulus’ Brief aan de Hebreeën 11:13-16. Als de wereld als zodanig geen gewijde zaak is maar alleen van nut om zich als ‘vreemdeling op aarde’ een weg te kunnen banen naar de hemel, dan maakt het cultuurscheppende spel zich los van levensfuncties waar het eens mee verbonden was geweest. In zijn Homo ludens verwijst Huizinga meermalen naar de Middeleeuwen als een tijd waarin het ‘archaïsche’ spel verwerd tot “louter scherts”, “cultivering van het uiterlijke beeld”, dat “nu enkel het ludieke karakter” bewaart, ontdaan van zijn cultuurscheppende functie.


Gedurende het kersteningproces heeft zich een fundamentele verandering voorgedaan in de cultuurscheppende functie van het spel. Die mening is een bekend historicus van de kersteninggeschiedenis, Ramsay MacMullen, eveneens toegedaan. In zijn Christianity & Paganism in the Fourth to Eighth Centuries uit 1997 schetst hij het beeld van een transformatie uit een functionele vrolijkheid, kenmerkend voor een heidense levenshouding (“joy was worship”), naar een door de kerk gepropageerde levensernst. “Feasting, singing, dancing, drinking, staying up through the night, in short bliss in every respect, together with a sort of sacred sociability, was of the essence of paganism” (p. 124, 154). Zodra de ernst des levens niet kon worden uitgedrukt in spel, ritueel of een of andere vorm van blijdschap, verloor die ernst zijn gewijde karakter en zijn cultuurscheppende en algemeen vormende betekenis.


Tot zover de overeenkomst in de beeldvorming van deze twee historici. Wat mij vervolgens intrigeert is de brontekst die Huizinga als maatstaf koos bij de definiëring van zijn concept ‘homo ludens’: Plato’s Leges (Nomoi, De wetten): VII, 803-804. De vertaler die ik raadpleeg, Xaveer de Win, zette boven dit deel de kop: “Betekenis van het menselijke leven”. Het betreft hier dus een kerngedachte uit Plato’s visie op het leven. Voor Plato gelden gewijde  levensfuncties, dus waar het god of de goden betreft, als in ernst te nemen spel (“spelende moet er geleefd worden”). “Van nature heeft god recht op al onze gelukkig makende ernst”. Het beste aan de mens is, dat hij een speeltuig gods is. Aan het slot van het boek komt Huizinga hier weer op terug. De mens moet de schoonste spelen spelende het leven doorbrengen, de ernst bewaren om al spelende god te dienen, “met offeren, zingen en dansen, om de goden gunstig te stemmen en in de strijd te winnen” (273, Leges VII, 803-e).


Opmerkelijk genoeg – maar niet bij Huizinga – vinden we in de eerder genoemde passage bij Augustinus een bijna eensluidende kerngedachte, hoogstwaarschijnlijk – direct of indirect – ontleend aan Plato. Wie het levenspad bewandelt, bij Plato voorgesteld als een “overtocht die het leven is” in een zelf te bouwen schip, bij Augustinus als een terugreis naar “ons vaderland”, de Hemel, met “vervoermiddelen over land en zee”, die moet in beide gevallen het goddelijke ernstig nemen als wel ‘genieten’. Maar bij Augustinus bevindt dat goddelijke zich niet op aarde, en dat geeft hij aan als volgt:


“Maar als we plezier hebben in de toeristische attracties onderweg en in de reis zelf, gaan we ertoe over te genieten (frui) van wat we hadden moeten gebruiken (uti). We willen onze reis niet vlot beëindigen, worden verstrikt in een verkeerd soort genietingen, en raken vervreemd van de geneugten van ons vaderland die ons gelukkig kunnen maken” (De doctr. I,iv,8; vert. J. den Boeft & I. Sluiter).


Waar Plato het leven als een spel ziet, dat gewijd is aan de goden, daar ziet Augustinus een verboden “hechting aan fysieke waarneming” van de wereld. Op aarde zijn we “ver van de Heer in den vreemde”. Op onze terugweg naar de Heer moeten we gebruik maken van de wereld, niet ervan genieten. Om deze in de hierop volgende eeuwen zo uitermate gezaghebbende tekst te vervolgen door de vele goden van de heidenen tegenover de ene God van Paulus en de Bijbel te zetten. Kort en goed, alles lijkt erop te wijzen dat we hier de christelijke versie tegenkomen van Plato’s Leges 803, met een tot levensstandaard uitgeroepen scheiding van het nut van deze wereld en het genieten van een wereld van de toekomst. Huizinga is niet zover gegaan hierop te wijzen. Ook al kende hij het werk – hij verwijst er zelfs een keer naar in zijn Homo ludens – hij hield halt voor het christelijke schisma van genot en nut, spel en ernst.


Hoe cruciaal en conflicterend met de Oudheid dit door Augustinus onderstreepte schisma tussen nut en genieting is en is gebleven in de westerse opvatting van cultuur en opvoeding, kunnen we het beste vaststellen door in de leer te gaan bij andere culturen. Dat heeft Huizinga gedaan in zijn Homo ludens, evenwel zonder expliciet te wijzen op deze door het christendom zo tot in alle ernst beleden visie op het leven. Door daar in deze tijd wél op te wijzen kunnen we de ismes die we kennen, met hun universele en monolithische claim op de toekomst (Vooruitgang! Vrijheid! Democratie!) en hun wantrouwende blik naar het verleden, zoals daar zijn de varianten van het modernisme en het individualisme, waar het gaat om zaken van algemeen belang, zoals een canon voor het basisonderwijs, beter controleren. Het terugvinden van homo ludens is, ter wille van datzelfde algemeen belang, van doorslaggevende betekenis. Mag de dichterlijke visie op de wereld weer centraal staan? Het klinkt misschien wel overdreven en dramatisch, maar er zit een grond van waarheid in de stelling dat het apart zetten van ernst en spel en de gespletenheid van de cultuur die daaruit voortkwam, de moeder is van de crises waar we tegenwoordig in verzeild zijn. Herstel de scheuring in de samenleving als geheel, waarlangs de lijdensweg van elk van haar individuen loopt, door het spel van de verteller en de dichter serieus te nemen. Dat is wat Huizinga ons vraagt. Ik teken voor dat plan.

 


Beoordeling:   Commentaar (0)  Download
< terug  1 van 20  Volgende >
 

 

);